MicrosoftTeams-image (8) MicrosoftTeams-image (8)
In de media

Topvrouwen aan het woord | De genderkloof op de arbeidsmarkt moet dicht

Graphic
Gepubliceerd 23 november 2023

Nederland staat internationaal bekend als Kampioen Deeltijdwerken. Vooral vrouwen hebben vaak een parttime baan. Die ongelijkheid levert ons land zelfs een magere 28e plek op, op de Global Gender Gap Index. Tegelijkertijd is het personeelstekort in vrijwel alle sectoren groter dan ooit. Als alle parttimers een paar uur méér zouden gaan werken, zou dat allerlei problemen oplossen. ‘Het systeem’ faciliteert dit echter niet. Hoe kunnen we de arbeidsparticipatie van vrouwen in Nederland een boost geven? Vier topvrouwen delen hun visie.

‘Het nieuwe kabinet moet Nederland écht in de top-10 van deze internationale participatie- en emancipatieranglijst krijgen,’ zegt Tabita Verburg, Contract Operations Director EMEA bij Dow.

In totaal hebben 4,7 miljoen werkenden – bijna de helft van de volledige beroepsbevolking – een deeltijdbaan, zij werken dus minder dan 35 uur per week. Van de werkende vrouwen heeft 77,7% een deeltijdbaan, van de werkende mannen 45%. Er is dus veel onbenut arbeidspotentieel onder de mensen die al werken. En daarmee ook een grote kans om de arbeidsparticipatie te verhogen.

Meer werken moet lonen

Het bijzondere is: ruim een half miljoen mensen wil graag meer uren werken. Dat ziet Elly Brand, directeur-bestuurder van kinderopvangorganisatie Kibeo, ook in haar organisatie.

Elly Brand: “Het overheidsplan om kinderopvang zo goed als gratis te maken, is deels afgeketst op het personeelstekort. Maar wij hebben personeel genoeg. Bij ons werken 1500 pedagogisch professionals, verspreid over 200 kinderopvanglocaties. Gemiddeld werken zij 22 uur per week. Als alle parttimers met kleine contracten een halve dag meer gaan werken, zou het hele probleem opgelost zijn.” Er is echter een hele belangrijke reden om daar niet voor te kiezen, blijkt uit een medewerkersonderzoek. “Het loont niet.”

Een rekenvoorbeeld: een pedagogisch medewerker zonder partner en kinderen werkt nu 24 uur. Zij krijgt ook zorg- en huurtoeslag. Als zij vier uur méér gaat werken, dan leveren die uren haar slechts 5 euro netto per uur op. Omdat ze door die kleine inkomensverhoging wél haar recht op zorg- en huurtoeslag verliest.

“Daar kiest niemand voor”, zegt Elly. “Logisch ook; waarom zou je je zoveel extra werk op de hals halen als je daar maar zo weinig mee vooruit gaat? Dat is een groot probleem.” Tabita: “Ik schrik heel erg van die vijf euro. Ik wist dat het erg was, maar zó erg? Ik ben er sprakeloos van.”

Ons toeslagenstelsel zit hogere arbeidsparticipatie in de weg, stelt Elly. “Voor een pedagogisch professional met een partner met een goedbetaalde baan en kinderen levert meer werken namelijk wél meer op. In plaats van vijf euro mag zij per extra uur rekenen op negentien euro netto. Door een hoger gezamenlijk inkomen, kreeg ze geen toeslagen en die verliest ze dus ook niet.”

Thuis zijn voor de kinderen

Meer werken loont dus meer voor een moeder met werkende partner. Maar zij wil niet altijd meer werken; de moederschapscultuur is stevig ingesleten in onze samenleving. Thuis zijn voor de kinderen is belangrijker dan meer uren werken. Elly: “Ook in de landen om ons heen wordt parttime gewerkt, maar niet in de mate waarin wij dat doen. Die verschillen zijn deels cultureel bepaald en ook wel ingegeven door religie. In Scandinavië zijn vrouwen vanaf de Tweede Wereldoorlog al gestimuleerd om te werken. In Nederland is het ‘kostwinnersprincipe’ meer in stand gehouden, dat heeft zich (hardnekkig) genesteld in onze cultuur.

Werkende ouders faciliteren

Carolien Kortenoeven, managing director van Smurfit Kappa in Etten-Leur: “De werkende wereld verandert. Er wordt steeds meer van vrouwen verwacht. Maar ‘het systeem’ is niet meebewogen.” Zelf heeft ze een fulltime baan, een werkende man en twee kinderen die ondertussen naar de middelbare school gaan.

Carolien Kortenoeven: “Mijn kinderen gingen als baby al naar de kinderopvang. Dat was het walhalla. De kinderopvang is namelijk volledig ingesteld en gericht op werkende ouders. Je brengt ’s ochtends vroeg je kind weg en haalt het vroeg in de avond weer op. In de tussentijd word je niet onnodig gestoord. Als de kinderopvang belde, wist ik dat er écht iets aan de hand was.”

Het schoolsysteem daarentegen is totaal níet ingericht op werkende ouders, vindt Carolien. “Dat begint al met de schooltijden en vakanties. Maar het heftigst vond ikzelf dat er de hele dag met je kind gesjouwd wordt. Van de voorschoolse opvang naar school, de tussenschoolse opvang, weer terug naar school en dan naar de naschoolse opvang. Ik kon mijn kinderen opdweilen aan het einde van de dag. Bovendien word je als ouder – vooral als moeder – overspoeld met berichtjes en verzoekjes van school. Om luizen te pluizen, om te chauffeuren voor een uitstapje, en zo kan ik nog honderd voorbeelden noemen. Alles bij elkaar heeft dat invloed op je schuldgevoelens; je wilt je kinderen natuurlijk ook niet teleurstellen. Daarom zeg ik: laten we alsjeblieft het schoolsysteem beter inrichten. Want zoals het nu gaat is het niet goed. Niet voor het welzijn van de kinderen, niet voor werkende ouders en arbeidsparticipatie.”

Kinderopvang als basisvoorziening

Voor beter onderwijs én hogere arbeidsparticipatie moet er veel op de schop, vinden de vier vrouwen. Rianne Vons, bestuurder van Kinderopvang Zeeuws-Vlaanderen: “Het huidige systeem past gewoon niet meer bij de maatschappij van nu. We moeten af van de versnippering. Het is eigenlijk gek dat kinderopvang geen basisvoorziening is, net als de basisschool. Als we écht wat willen doen aan kansengelijkheid, dan moet kinderopvang net als onderwijs breed toegankelijk worden. Zowel qua tijd/logistiek als financieel, voor werkende en niet-werkende ouders.”

School en opvang integreren

Rianne: “Als we het schoolsysteem anders zouden organiseren, en álle kinderen standaard van bijvoorbeeld 8 tot 17 of 18 uur samen op één plek – één school/kinderopvangcombinatie waar didactiek en pedagogiek door elkaar heen lopen – kunnen spelen en leren … Dan zou er minder ongelijkheid zijn onder kinderen. Onder meer in Frankrijk gaat het al jaren zo. Werkende ouders kunnen zonder schuldgevoel werken. En niet- of parttime werkende ouders kunnen meer gaan werken, thuisblijven voor de kinderen is dan immers geen issue meer. Wat de arbeidsparticipatie enorm ten goede komt.”

Elly vult aan: “Het zou ook het werk van pedagogische- en onderwijsprofessionals waardevoller en minder versnipperd maken. Bovendien: als kinderen allemaal op dezelfde – latere – leeftijd bij ons komen en ook langer blijven, kunnen wij ons pedagogisch werk beter doen. Op school zijn duidelijk verschillen te zien tussen kinderen die wel en niet naar de opvang zijn gegaan. Op vlak van onder meer taalontwikkeling, zelfstandigheid en relaties aangaan”.

Ouderschapsverlof anders inrichten

De vrouwen hebben ook ideeën om zo’n nieuw systeem werkbaar te maken. Het ouderschapsverlof anders inrichten bijvoorbeeld. Of de werkkostenregeling aanpassen om gratis kinderopvang te kunnen bieden, minimaal in de pedagogische sector. Elly: “Kinderopvang is een grote kostenpost voor werkende ouders. Het lijkt heel logisch om als kinderopvangorganisatie je eigen medewerkers gratis opvang te bieden. En als het kon, zouden we het doen. Maar het is helaas niet zo makkelijk. Dat heeft met allerlei fiscale regelingen te maken. Dat geldt voor alle werkgevers, niet alleen voor ons. De werkkostenregeling uitbreiden en oormerken zou een directe remedie kunnen zijn. Onze medewerkers kunnen dan meer gaan werken, zonder dat ze daar netto op achteruit gaan.”

Rianne vult aan: “In België gaan kinderen vanaf tweeëneenhalf jaar naar school. Gratis en met een continu rooster. Van hoe ze bij onze zuiderburen werken, kunnen we hier nog veel leren. Daarom hebben wij een aantal pilots gestart, met mooie resultaten. We experimenteren onder andere met een jaar lang twee dagen per week gratis opvang op drie locaties. Daar zien we dat ongeveer twintig procent van de ouders meer is gaan werken. Ik vind dat echt veel. En nog eens ongeveer vijf procent is begonnen met werken of studeren. Een aantal mensen zeiden: ik durf nu weer. Een voorzichtige conclusie: zulke maatregelen hebben effect. Het zou mooi zijn als we dit soort dingen verder kunnen onderzoeken, op grotere schaal.”

Emancipatie moet hoger op de politieke agenda

Dat actie nodig is, staat volgens de vier vrouwen als een paal boven water. Tabita: “Nederland staat op de 28e plek in de Global Gender Gap Index, onder landen als Rwanda, Namibië en de Filipijnen! Ik schaam me daar als Nederlandse vrouw wel een beetje voor.” De Global Gender Gap Index is de jaarlijkse graadmeter van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, van het World Economic Forum (WEF). Het onderzoek wordt uitgevoerd in 146 landen en meet onder meer verschillen tussen mannen en vrouwen op het gebied van economische participatie en politieke invloed. Onze buurlanden België en Duitsland staan in de top 10. “In top-10-landen als Denemarken en Duitsland was de ‘thuis-blijven-met-kinderen-mentaliteit’ voorheen misschien nog wel sterker als die bij ons. Zij hebben enorme progressie geboekt en veel sneller en succesvoller gericht emancipatiebeleid uitgevoerd.”

De top 10 in

Tabita wil dat Den Haag prioriteit maakt van deze kwestie, de andere dames sluiten zich hierbij aan.

“Wij willen over vijf jaar in die top 10 staan! Een land als Nederland kan daar toch niet in ontbreken? Het is natuurlijk niet zo dat we in die top 10 moeten voor onze goede naam, maar vooral omdat het zou betekenen dat we allerlei problemen opgelost hebben. Los van gendergelijkheid bijvoorbeeld ook problemen op de arbeidsmarkt en -participatie en daarmee ook de economie.” – Tabita Verburg

Integrale aanpak

In Nederland kennen we echter vooralsnog geen integrale aanpak voor het verhogen van arbeidsparticipatie. Daar ligt volgens de topvrouwen dus een voorname rol voor de landelijke overheid. Het huidig beleid werkt eerder belemmerend dan activerend. Tabita: “De overheid moet meer meten, reguleren en stimuleren. En werkgevers zullen – zeker gezien de huidige krapte op de arbeidsmarkt – graag willen meewerken. Simpelweg omdat we gewoon heel hard mensen nodig hebben. En er dus nu veel arbeidspotentieel niet benut wordt. Zowel mannen en vrouwen, werkgevers en werknemers, hebben een rol om die mindset te veranderen, om die drastische versnelling te kunnen maken op emancipatiebeleid.”